|
Van de twaalf dekstukken op de lage bankwangen van het koorgestoelte, vormen de vier buitenste, zoals hiervoor beschreven, een afzonderlijke groep. Dit is in ieder geval zo sinds de restauratie van 1877-1881. De samenhang en betekenis van de overige acht dekstukken is meer problematisch. Onduidelijk is of en welke specifieke betekenis er aan de individuele groepen moet worden gegeven. Vervolgens is de vraag of er sprake is van een programma dat een samenhang geeft aan de dekstukken; en gaat het dan | 75 |
alleen om de acht middelste groepen of om alle twaalf? In de literatuur tot op heden wordt met de voorstellingen en interpretatie van de dekstukken geworsteld. Jan Hezenmans schreef in 1866 na dat hij zijn lezing over de vier buitenste dekstukken had gegeven:30 'Wat beteekent dat gewemel van hydra's en ondieren, welke het gestoelte bevolken? wat die centauren? niets anders dan boosheid. Gelijk wij op de vier hoeken het rijk der barmhartigheid hebben zien openen, zoo opent zich voor ons in het lagere gedeelte daar tusschen, het rijk der boosheid en zwakheid van den mensch, in de zeven Hoofdzonden.' Die zeven hoofdzonden, verbeeld in de acht dekstukken, werkte hij vervolgens nader uit.31 Smits nam deze interpretatie over ('Zooals die thans zijn, stellen zij ongeveer de zeven hoofdzonden voor')32, Mosmans trachtte deze duiding wat te nuanceren zonder daar echt uit te komen33 en Concordius van Goirle suggereerde dat behalve de voorgestelde hoofdzonden tenminste twee van de acht middelste dekstukken in positieve zin verwijzen naar de Illustre-Lieve-Vrouwebroederschap.34 Peeters neemt in zijn 'Geïllustreerde Beschrijving' van de Sint-Jan uit 1985 weer een nuchter en voorzichtig standpunt in, benoemt de 'monsterlijke fauna' en de andere onderwerpen van de dekstukken en concludeert:35 'Een geheel aanvaardbare iconografische verklarig van de authentieke resten (de zeven hoofdzonden? allusies op degenen die in de banken plaatsnemen?) is nog niet gegeven.' Over het geheel genomen zijn de acht dekstukken naast de doorgangen in het gestoelte authentiek en dateren dus uit de jaren 1430-1460. En ook al gaf Lambert Hezenmans de monsters en figuren in 1867 relatief vrij weer op zijn tekeningen, toch komen ze nagenoeg overeen met de situatie die sinds de restauratie van Van der Geld bestaat. Vele details, zoals staarten, vleugels en koppen werden vernieuwd of aangevuld, ingrijpende wijzigingen of reconstructies vonden echter niet plaats. De bij de hier volgende foto's aangehouden volgorde is de noordzijde van west naar oost en vervolgens de zuidzijde van west naar oost.
a. Een gevleugeld en een ongevleugeld monster (afb. p. 77)
| 76 |
| Noten | |
| 30. | Hezenmans 1866, p. 73. |
| 31. | Hezenmans 1866, p. 73-75. |
| 32. | Smits 1907, p. 211-213. |
| 33. | Mosmans 1931, p. 377-379. |
| 34. | Coppens & Van Goirle 1946,p. 71-76. |
| 35. | Peeters 1985, p. 353 |
A.M. Koldeweij e.a., De koorbanken in de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1991) 75-76
A.M. Koldeweij e.a., De koorbanken in de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1991) 75-80